Meer over het menselijk lichaam

door | 22 januari 2021

Voeding en leefgewoonten hebben invloed op de organen in het lichaam en de conditie van de organen heeft weer invloed op iemand gezondheid in welzijn. In deze les krijg je daarom wat basiskennis over organen in het menselijk lichaam.

Alvleesklier, lever en galblaas

Voor een goede werking van het spijsverteringsstelsel zijn de alvleesklier, de lever en gal onmisbaar. De alvleesklier en de lever zijn spijsverteringsklieren. De galwegen zorgen voor opslag en continue doorstroom van de door de lever geproduceerde gal. De lever is bovendien cruciaal bij het verwerken van de voedingsstoffen.

De alvleesklier

De alvleesklier is een trosvormige langgerekte klier die achter de maag ligt. Hij maakt hormonen aan en voert die af. In het klierweefsel wordt alvleeskliersap aangemaakt dat spijsverteringsenzymen bevat. De eilandjes van Langerhans in de alvleesklier maken insuline en glucagon. Deze hormonen worden direct aan het bloed afgegeven. Ze zorgen samen voor het evenwicht van het bloedglucose in het lichaam. Als het bloedglucosegehalte hoog is (na een maaltijd) wordt er meer insuline aangemaakt. Wanneer de bloedglucosespiegel te laag dreigt te worden, wordt er glugacon geproduceerd. Glucagon zorgt ervoor dat leverglycogeen wordt afgebroken tot glucose. Glucose wordt vervolgens aan het bloed afgegeven. Hierdoor stijgt de bloedglucosespiegel weer. Bij diabetes zijn deze processen verstoord, zodat er een verhoogd bloedsuikergehalte ontstaat.

De lever

De lever ligt rechtsboven in de buikholte naast de maag en op de darmen. Hij vervult veel functies met betrekking tot de stofwisseling. Alle voedingsstoffen, met uitzondering van de grote vetdeeltjes, komen via de poortader rechtstreeks in de lever terecht.

De functies van de lever zijn:

  • koolhydraatstofwisseling: glucose wordt omgezet in glycogeen en andersom
  • vetstofwisseling: uit voedingsstoffen kunnen vetten worden gemaakt
  • eiwitstofwisseling: uit aminozuren worden nieuwe (plasma)eiwitten gemaakt, omgezet of afgebroken
  • opslag van glycogeen, vetten, vitamine A, B-complex, ijzer en aantal spoorelementen
  • ontgifting schadelijke stoffen
  • galproductie (water, slijm, galzure zouten met cholesterol, bilirubine dat ontlasting bruin kleurt) en uitscheiding gal uit in de galwegen

De lever breekt lichaamsvreemde stoffen af: de schadelijke stoffen die afkomstig zijn van de stofwisseling en de lichaamsvreemde stoffen zoals medicijnen en genotmiddelen worden door de lever onwerkzaam gemaakt en uitgescheiden via de gal of de urine. Verder verwijdert de lever een aantal hormonen.

Als er problemen zijn met de spijsvertering, leidt dit automatisch tot problemen in de lever. Want door een slechte vertering kunnen voedingsstoffen minder goed worden opgenomen en zijn er meer gifstoffen. De lever heeft om deze gifstoffen op te ruimen meer voedingsstoffen nodig, terwijl er juist minder door het lichaam kunnen worden opgenomen. Als het de lever niet lukt om de afvalstoffen op te ruimen, worden deze (tijdelijk) opgeslagen in het bindweefsel.

Als gifstoffen onvoldoende kunnen worden afgevoerd door de lever ontstaan problemen in de energiehuishouding, het zenuwstelsel, hormoonstelsel, immuunsysteem en maagdarmkanaal. Deze systemen proberen zich namelijk tegen de gifstoffen te beschermen. Dat gaat gepaard met energieverlies en dus vermoeidheid.

De galblaas

De galblaas ligt aan rechterkant van het lichaam, achter en onder de lever. Het orgaan is verbonden met de lever via de galbuis. De galblaas vormt een reservoir voor de galvloeistof die door de lever is geproduceerd en dikt de gal in. Gal bestaat onder andere uit galzure zouten. De galzure zouten zijn van belang voor de spijsvertering en spelen een rol bij de opname en vertering van vetten in de twaalfvingerige darm. De hoeveelheid gal die naar de darm wordt afgevoerd is afhankelijk van de hoeveelheid te verteren vet in de darm. Gal zorgt voor de emulgatie van vetten. Dat betekent dat de vetten worden verkleind tot hele kleine druppeltjes. Hierdoor wordt de oppervlakte voor het enzym lipase vergroot, dat zo zijn werk beter kan doen. De vetzuren kunnen na de splitsing via de darmwand worden opgenomen in het lichaam.

Bloed en bloedsomloop

Het bloedvatenstelsel is een stelsel van buizen bestaande uit bloedvaten met bloed en het hart. Het bloed heeft drie functies: transport, bescherming en regulatie.

Transport

Het bloed heeft een transportfunctie van voedingsstoffen naar het bloed en neemt afbraakstoffen mee uit het bloed om deze af te kunnen voeren. Zuurstof, voedingsstoffen (via de darmwand) en hormonen worden naar cellen vervoerd. Koolzuurgas, afbraakproducten (ureum) worden uit de cellen afgevoerd.

Bescherming

Bij de beschermende functie van bloed gaat het om de afweer en bloedstolling. Hierbij zijn de rode en witte bloedlichaampjes en de bloedplaatjes betrokken. De bloedplaatjes zijn van belang bij de bloedstolling.

De rode bloedlichaampjes bevatten een roodgekleurd eiwit dat hemoglobine heet. In hemoglobine is een ijzeratoom ingebouwd dat een zuurstofbindend vermogen heeft in een zuurstofrijke omgeving. Elke 120 dagen worden de rode bloedcellen vervangen. Dat gebeurt in het rode beenmerg. Het grootste deel van het ijzer wordt hergebruikt. Het deel dat verloren gaat moeten we via onze voeding aanvullen.

De witte bloedlichaampjes hebben te maken met de verdediging van het lichaam. Ze hebben een levensduur van enkele dagen tot enkele weken. Ze worden in het rode beenmerg en in lymfatische weefsels gevormd. Witte bloedcellen kunnen door de wand van bloedvaten naar buiten kruipen om zo overal in de lichaamsweefsels ziekteverwekkers op te ruimen. Hierbij gaan veel witte bloedcellen kapot, die meteen worden vervangen door nieuwe. Wanneer er te veel witte bloedcellen worden afgebroken en te weinig worden aangemaakt, worden mensen veel vatbaarder voor allerlei infectieziekten zoals longontsteking.

Regulatie

Het bloed reguleert het vochtgehalte, de bloeddruk, de zuurgraad en de temperatuur van het lichaam. De bloedvaten zijn te onderscheiden in aders en slagaders.

Aders en slagaders

Het bloed in de slagaders stroomt van het hart af, heeft een hoge druk en is zuurstofrijk. Alleen de longslagader is zuurstofarm, want daarom moet het van het hart af en naar de longen toe. De slagaderwanden zijn dik vanwege de hoge druk die erop gezet wordt.

Het bloed in de aders stroomt naar het hart toe, heeft een lage druk en is zuurstofarm. De aderwanden zijn dun. De longader vormt ook een uitzondering met de overige aders en is zuurstofrijk (hij brengt het zuurstofrijke bloed naar het hart toe om verder door het lichaam gepompt te worden).

Tussen de kleine slagaders en kleine aders bevinden zich de haarvaten. Deze hebben een dunne wand en zorgen voor de uitwisseling van stoffen tussen bloed, weefsels en cellen. Zuurstof, voedingsstoffen en hormonen worden naar cellen vervoerd. Koolzuurgas en afbraakproducten worden uit de cellen afgevoerd.

Grote en kleine bloedsomloop

Je kunt de bloedsomloop onderscheiden in de grote en kleine bloedsomloop. De grote bloedsomloop wordt zo genoemd omdat dit systeem het hele lichaam van bloed voorziet. De grote bloedsomloop begint in de linkerhartkamer met de aorta en komt via vertakkingen uiteindelijk uit bij de haarvaten waar zuurstof en voedingsstoffen worden afgegeven en koolzuur en afvalstoffen vervolgens worden afgevoerd via de aders.

De aders komen samen in de grote holle lichaamsader en die eindigt in de rechterboezem. Na de rechterboezem gaat het bloed naar de rechterkamer en daarna via de longslagader naar de long waar zuurstof wordt opgenomen en koolzuurgas wordt afgestaan. Via de longader komt het bloed weer in de linkerboezem en begint het proces weer opnieuw. Het proces van de toe- en afvoer naar de longen heet de kleine bloedsomloop.

De lever ontvangt bloed via de leverslagader en de poortader. De poortader is een van de belangrijkste bloedvaten. Hij voert bloed aan dat afkomstig is van bijna het hele darmstelsel en de milt. Dit bloed bevat voedingsstoffen die vanuit de darm in het bloed zijn opgenomen. Via de poortader komen deze voedingsstoffen de lever binnen. De lever kan de voedingsstoffen opnemen, omzetten, bewaren en/of weer afgeven aan het bloedvatsysteem. De poortader bevat zuurstofarm bloed. De leverslagader vervoert zuurstofrijk bloed om de lever van zuurstof te voorzien.

Het lymfvatenstelsel, de milt en de thymus

Het lymfevatenstelsel vormt een ondersteuning voor de bloedcirculatie. Dit stelsel bestaat uit lymfevaten, lymfeknopen, milt en de thymus. Kleine lymfehaarvaten bevinden zich rondom de kleine bloedhaarvaten. De kleine lymfehaarvaten voeren hun lymfe weer af naar grotere lymfevaten en komen uiteindelijk uit bij de lymfeknopen. De grotere lymfevaten hebben kleppen zodat de lymfe niet terug kan stromen naar de haarvaten.

De voornaamste lymfeknopen bevinden zich in hals, oksels en liesstreek, in de ruimte tussen de beide longen en langs de aorta. De functie van de lymfeknopen is het vormen van witte bloedcellen (lymfocyten) en een filterwerking van schadelijke stoffen.

De milt is te vergelijken met een grote lymfeknoop als tussenstation in de bloedcirculatie. De milt vormt lymfocyten, breekt oude rode bloedlichaampjes af en slaat rode bloedcellen op (bijvoorbeeld bij grote lichaamsinspanning).

De thymus heeft een zeer belangrijke taak bij de afweer van het lichaam ongeveer tot het begin van de puberteit. Dan is de thymus verschrompeld tot een klein vetkwabje. De werking van de thymus is te vergelijken met een lymfeknoop.

Uitscheiding en de nieren

De celstofwisseling gaat gepaard met de productie van afvalstoffen. Een te veel aan afvalstoffen is schadelijk voor onze gezondheid. De lever speelt een grote rol bij de vorming en afbraak van stoffen. De longen scheiden koolzuurgas uit. De meeste andere afvalstoffen worden door de nieren uitgescheiden. De belangrijkste functies van de nieren zijn: afvalstoffen uit het bloed verwijderen, reguleren van de vocht- en zoutbalans en de aanmaak van het hormoon renine om de bloeddruk te regelen.

De nieren liggen in de onderbuik links en rechts van de wervelkolom. Naar de nieren toe stroomt zuurstofrijk bloed met afvalstoffen. Deze stoffen worden gefilterd in de nieren. Door de nieraders stroomt bloed zonder de afvalstoffen weg. In de urine zit water, zouten en afvalstoffen. Deze wordt verzameld in de nierbekken. Vanuit de nierbekken wordt urine via de beide urineleiders naar de blaas getransporteerd.

Het hormoonstelsel

Hormonen worden geproduceerd door endocriene klieren (klieren zonder afvoerbuis) en direct afgegeven aan het bloed. Via het bloed worden ze vervoerd naar organen waar ze een regulerende functie uitoefenen. Ze beïnvloeden processen als stofwisseling, groei, en voortplanting.

Verschillende hormonen hebben een samenhang en beïnvloeden elkaar dus. Dit gebeurt via terugkoppelingsmechanismen. De hormoonklier hypofyse in de hersenen neemt hierbij een centrale plaats in. De hypofyse wordt aangestuurd door het zenuwstelsel. Een onderdeel van de hypofyse produceert hormonen die een stimulerende invloed uitoefenen op andere hormoonklieren die dan op hun beurt weer hormonen gaan produceren. De hormonen die uiteindelijk door deze klieren worden geproduceerd hebben een remmende werk op de hypofyse, zodat die stopt met de hormoonproductie als er voldoende hormonen zijn.

De belangrijkste endocriene klieren zijn de hypofyse en de hypothalamus in de hersenen, de schildklier en de bijschildklier, de alvleesklier, de bijnieren (bijnierschors en het bijniermerg) en de geslachtsorganen. Daarnaast zijn er ook hormoonproducerende cellen in het nierweefsel, de maagwand en de twaalfvingerige darm.

Hormonen, honger en verzadiging

Het hormoonstelsel en zenuwstelsel werken intensief samen bij de spijsvertering. In de hypothalamus zit een ophoping van zenuwen die zich bezighouden met de regulering van het lichaamsgewicht: een hongercentrum en verzadigingscentrum.

Ghreline is een hormoon dat vooral afgescheiden wordt door de maagwand bij een lege maag en dat de eetlust opwekt en de opname van spijsverteringsproducten door de cellen van de darmwand stimuleert.

Bij de mens wordt leptine afgegeven door vetcellen in de vetdepots. Leptine bereikt via het bloed de hersenen en stimuleert na actieve passage van de bloed-hersenbarrière het verzadigingscentrum. Hierdoor neemt het hongergevoel af. Hoe meer leptine er in het bloed circuleert, hoe verzadigder men zich voelt. Je krijgt dan de neiging minder te gaan eten. Ongevoeligheid voor leptine zou een oorzaak kunnen zijn van obesitas.

Categorie: